Fragment uit Nachtvoorstelling:

© Xander Michiel Beute 15 September 2000
Met dank aan: Uitgeverij De Vijver


Het is mooi geweest voor vannacht. Een paar bier, een paar goede gesprekken, het is één uur. Ik ga naar huis.
Terwijl ik naar mijn fiets loop, probeer ik de knoopjes van mijn overhemd dicht te knopen. Het lukt me niet om het juiste knoopje bij het juiste gaatje te krijgen. Dan maar m’n mouwen afstropen. ’Dag Maarten,’ Mensen roepen. Ze fietsen lachend, wankelend en zingend voorbij. Het is buiten niet anders dan binnen in het café, je hebt hier op de Markt alleen wat meer bewegingsruimte. Iemand springt op mijn rug. Misschien een vriend die op zijn eigen manier gedag wil zeggen. Hij is zwaar. Kut. Mijn knieën begeven het bijna onder het gewicht op mijn rug. 1k probeer door te lopen, maar houd het niet meer. Toch lopen we door, het gewicht op mijn rug duwt me vooruit. ‘Hé, kap even!’ Ik wil me omdraaien, we doen nog twee passen, het lukt niet. De greep om mijn schouders is te stevig. Weer twee stappen, steeds sneller gaan we vooruit. Het zijn minstens twee mannen. Ik voel handen hard duwend in mijn rug, iemand anders heeft zijn arm om mijn nek. Ik hap naar adem. Iemand gilt. Mijn lichaam valt voorover, mijn benen kunnen het nog maar net bijhouden. Ik val hard... struikel over m’n benen. Mijn kop klapt tegen de ijzeren paal... een harde steek knijpt mijn keel dicht, rn’n hoofd slaat terug achterover. Mijn benen begeven het. Ik donder op de grond... lig met mijn kop op de keien. De voegen, het zand tussen de keien, het draait in snelle rondjes. Plof. Mijn hoofd ligt stil. Heel even maar, Mijn wang op de stenen, niet eens zo koud. Het stadhuis staat op z’n kant, raar gezicht. Ik voel iets kloppen achterin mijn hoofd.

Ver weg, heel ver weg hoor ik geschreeuw. Ik hoor doffe slagen, doffe klappen ver weg. In mijn buik. Dan steeds dichterbij. Steeds harder. Schoppen in mijn buik. Geschreeuw en stilte tegelijkertijd, of wisselt alles af? Mijn keel wordt dichtgeknepen maar niemand heeft zijn hand om mijn nek. Dit is niet goed, dit is een knokpartij. Het is een ordinaire knokpartij en ik heb niets gedaan! Helemaal niets godverdomme! Alles is zwart voor mijn ogen. Ik verschuil me achter mijn oogleden, daar is het donker. Ik probeer te denken wat er gebeurt, ik voel klappen in mijn maag. Ineenkrimpen. Zo weet ik niets, ik zie niets. Als ik mijn ogen weer open doe, schiet een witte gymp langs mijn hoofd. De schoen ramt tegen mijn bovenbeen. Ik zie mijzelf ineengekropen op de grond liggen. Mijn armen over mijn hoofd. Mijn benen ineengetrokken voor mijn buik. Nog een trap tegen mijn benen. Tegelijkertijd een trap in mijn rug. De plek waar ze me raakten wordt heel snel warm. Mijn rug barst, brandt, bonst. Ik jank van de pijn. Tranen prikken in mijn ogen. Verdomme, verdomme, wat gebeurt er? Dit gebeurt niet Maarten, het gebeurt niet!

Het is stil geworden, het is voorbij. Ik zie de benen nog, maar de voeten staan stil. 1k zie de hielen van de schoenen, ze staan dus met hun rug naar me toe. Ik ben er niet meer, er is iets anders. Vast en zeker, iemand anders. Laat er in Godsnaam iemand anders zijn! Het is mijn lichaam dat schreeuwt.

Iemand trekt me overeind. Met mijn arm over zijn schouder lukt het me om op te staan. Als ik hem los wil laten om op mijn benen te gaan staan, val ik om. De man vangt me op, godzijdank. Met mijn benen wankelend onder me doen we een paar stappen. ’Kom op nou jongen, staan blijven.’ De stem klinkt ver weg terwijl de man toch zo dichtbij is. Ik ken die stem niet. Ik kijk naar het gezicht dat naast het mijne is. Een donkere man, lang haar, vriendelijk gezicht, een brede neus. Hij is, denk ik, een jaar of dertig. Zijn armen en schouder dragen mij als een veertje. Met gemak houdt hij me overeind. Verdomme, verdomme, ik ben kapot, kan niet meer, mijn hoofd valt op zijn schouder. Mijn vervreemde lichaam wordt tegen een lantarenpaal gezet, zodat ik me tenminste staande kan houden. Het kost moeite. Mijn benen lijken er niet meer bij te horen, mijn knie steekt. Ik heb pijn in mijn hoofd, en pijn in mijn rug. Maar ik sta tenminste overeind, in het volle gelige licht van de lantarenpaal. Dit is gebeurd, geen weg terug. Kut, hoe kom ik thuis’? Ademhalen Maarten, blijven ademhalen. De lucht diep in je longen zuigen, daar goed op letten. Dan krachtig uitblazen door de mond, de wangen moeten bol staan. Eerst rustig worden, beginnen met de ademhaling dan volgt het hart vanzelf. Het lijkt te werken, De man houdt me nog steeds zorgvuldig overeind. Zijn handen omklemmen mijn schouders stevig. Omvallen zal ik niet meer. Ik moet steeds aan mijn knie denken, het doet al minder pijn, misschien valt het nog wel mee. De man kijkt me recht in de ogen. Hij heeft donkere ogen, serieus. Ken ik hem ergens van? Hij beangstigt me een beetje. Verlegen kijk ik langs hem heen, mijn ogen zoeken een bekend gezicht. Er staat een kring van mensen om ons heen, allemaal jongens. Ik herken niemand. Ze lachen. Wat valt er nou te lachen? Ik sta nog op mijn benen! Achter de kring van jongens zie ik nu vaag nog veel meer gezichten. Ze staan een eind van ons vandaan. Een haag van mensen. Toeschouwers. De man verstevigt zijn grip om mijn schouders. Viel ik weer bijna om, hield hij me daarom zo stevig vast? Het lijkt alsof ik zijn vingers in mijn vlees voel. Zijn gezicht komt dichterbij. Ik kijk verlegen naar mijn schoenen. ’Zo, nou heb je ineens geen grote bek meer! ’ Hij houdt zijn hand in de lucht, zijn vuist is gebald. ’Wat?’ Op het moment dat ik nog meer wil zeggen, wordt ik verblind door de slaande vuist in mijn gezicht. Mijn hoofd trilt, ik schud met mijn hoofd, doe mijn ogen open, alles begint te bonzen. Bloed. Ik kijk de man recht in zijn ogen aan. Rode vlekken bewegen voor mijn ogen. Hij spuugt me in het gezicht. ’Een vuile klootzak ben je! ’ Ik verroer geen vin. Ik ben een standbeeld, vastgenageld. Vragend blijf ik de man in het gezicht kijken. Het maakt hem nog kwader. Zijn voorhoofd glimt van het zweet. Ik voel mijn hand weer trillen, Mijn hoofd knalt uit mekaar, ziedend van woede weet ik helemaal niets. Een klap voor zijn smoel kan ie krijgen. Ik heb niets gedaan, helemaal niets. Ik kan niets doen. Zijn speeksel druipt langs mijn wangen, het blijft op mijn lippen plakken. Mijn mond is droog. Het gebeurt allemaal niet echt, het is niet zo... een vuist slaat me hard in het gezicht.

Het is de hoogste tijd. Ik moet zo snel mogelijk naar huis. Een knal voor mijn ogen kan ik krijgen. De vuist raakt mijn voorhoofd. Ik voel het vel boven mijn wenkbrauw scheuren, mijn huid barst open. Druppels bloed lopen in mijn ogen. Het prikt. Naar huis, dat is een droom. Mijn fiets is onbereikbaar, nog geen tien nieter van me vandaan. De man heeft zijn hand op mijn borst gelegd. Mijn lichaam zit klem tussen de hand op mijn borst en de lantarenpaal in mijn rug. Die ene hand is genoeg mij volledig te bedwingen, om mij volledig de baas te zijn. Een pink zou genoeg zijn. Geruisloos vallen de vuisten in mijn gezicht. De fietssleutels in mijn broekzak steken tegen mijn bovenbeen. Dat voel ik heel duidelijk, de rest is onwerkelijk. Het is alsof ik geen lichaam meer heb. Een klap op mijn hoofd. Mijn lip barst open. Het bloed stroomt mijn mond in, de rest stroomt naar buiten en druipt langs mijn kin. Ik probeer om me heen te kijken. Mijn ogen doen pijn. Ze zitten dichtgeplakt, dikke korsten van bloed houden mijn ogen bijna gesloten... De man is niet meer alleen, het zijn er nu twee of drie. Ik probeer hun gezichten te zien, maar gezichten hebben ze niet. Handen, vuisten. Een tand haalt de binnenkant van mijn wang open. De achterkant van mijn hoofd dreunt tegen de lantarenpaal elke keer als ik geslagen word. Ik tel de slagen in mijn gezicht. De knallen voor mijn kop. Het gebonk van vuisten op mijn ogen, mijn kin, mijn wangen. Het zoute zweet prikt in de open wonden. Mijn neus gloeit. Bij de vijfde klap zak ik door mijn benen en val op de grond. Mijn hoofd hangt langs mijn romp. Ik weet mijn handen voor mijn gezicht te krijgen. Dekking hoog houden Maarten! Ik merk dat ik op de grond lig, de keien steken in mijn vlees. Mijn gezicht is bloedheet. De hitte brandt alles weg. Verschillende handen trekken me weer omhoog, opnieuw tegen de lantarenpaal. Terechtgesteld. Ik word terechtgesteld! Mensen schreeuwen. Iedereen lacht en praat door elkaar, ik kan niemand meer verstaan. Niets. Iemand schreeuwt. Het is een kreet, ik kan geen woorden ontdekken. ’Kijk me godverdomme aan als ik tegen je praat! ’ Het is de man. Dit kan niet meer, het moet ophouden. Er zit een grote rode vlek op mijn overhemd. Het is bloed. Ze slaan me dood! Een klap in mijn maag. Ik ijl door alles heen. Ogen opendoen. Helder blijven. Het is niets anders dan een stomme poging om de man die voor me staat aan te kijken. Een verblindend licht stroomt mijn kop binnen, Het suist in mijn oren. De stemmen. Ze houden niet op. Het is een grote schreeuwende, lachende, huilende bende, een bonkende teringzooi in mijn kop. Ik kan de man niet verstaan. Ik huil. ’Stil nou, alsjeblieft.’ Een knal voor mijn open ogen. Een vuist, zegelring, een fractie van een seconde, mijn vel scheurt open. ’Ik kijk je toch aan,’ hoor ik mijzelf jankend zeggen. De mensen lachen. Iedereen lacht. Zie mij staan!

Minstens honderd mensen staan op dit podium, de Markt. Maarten de Buit speelt vandaag de hoofdrol. Hij staat, in al zij glorie, in het middelpunt van de belangstelling in het licht van de schijnwerper, de lantarenpaal. Langzaam, tergend langzaam laat hij zijn hoofd zakken en kijkt neer op zijn lichaam. Hij ziet zijn opengerukte hemd en de grote rode bloedvlek op zijn witte shirt. Zal hij weten, dat het bloed is dat van zijn gezicht naar beneden druppelt? Voelt hij de druppels donkerrood vocht aan zijn kin hangen? Smeltende rode ijspegel. Het in grote getale opgekomen publiek geniet, het staat in opperste verbazing. Het koor zingt een kort stuk van de Johannes Passion: Wer hat dich so geschlagen? Onze held hangt bloedend aan de schandpaal.

Het is stil geworden. De wereld is heel even stilgezet. God geeft me een kort moment van rust. Ze slaan, schoppen niet meer. Alles gebeurt zo verschrikkelijk langzaam. Laat er iets gebeuren, laat er alsjeblieft iets gebeuren. Er wordt tegen me gepraat. ’Je blijft voortaan met je gore poten van m’n zus af.’ Ben ik gek geworden? Mijn ogen zijn nog maar half open. Ik kan alleen nog maar janken... Schreeuwend smeken. ’Alsjeblieft stop nou! ’ Geen genade. Zegelring. Bonken in mijn hoofd, vuisten voor mijn ogen, niijn neus, mijn lippen. Ik word weer overeind getrokken, tegelijkertijd twee stompen in mijn maag. Happen naar adem. Blijven ademen, alsmaar blijven ademen. De dikke plakken vocht in mijn mond doorslikken, anders krijg je geen adem meer. Mijn tong is opgezwollen, ik heb er te hard op gebeten. Het doet pijn. De smaak van bloed ligt op mijn tong. Een mengsel van janken en mompelen is mijn stem. ’Ik ken uw zus niet, alstublieft, laat me met rust.’ ’Vuile vieze klootzak! Jij teringlijer, ik venmoord je.’ Mijn handen grijpen naar de lantarenpaal om m’n lichaam te beletten opnieuw om te vallen. Geen nieuwe stompen meer in mijn maag. ’Het spijt me, ik smeek u...’ Ik hoor mijn eigen stem al bijna niet meer. Ik wankel en draai een halve slag, direct ligt er een hand op mijn schouder om mijn lichaam weer om te draaien. Een laatste vuist in mijn gezicht, alles klapt uit mekaar.

Fragmenten uit de roman: Nachtvoorstelling van Xander Michiel Beute Uitgeverij De Vijver, isbn 9076224102.

 
 


"Forum" Give your reaktion
 
 

<